Weerribben

Weerribben

* Nationaal Park De Weerribben
* Ontstaan van het natuurgebied
* Planten en dieren
* Beheer
* Recreatie, voorlichting en educatie
* Adres natuuractiviteitencentrum

Nationaal Park De Weerribben

De Weerribben is een natuurgebied, gelegen in Noordwest Overijssel, in de buurt van Steenwijk. Het is een landschap waar water en riet overheersen. Samen met het naburig natuurreservaat De Wieden vormt het het belangrijkste moerasgebied van Noordwest Europa.
Het huidige landschap van de Weerribben is ontstaan door het afgraven van veen voor de turfwinning. Sporen daarvan zijn zowel in het landschap als in de naam van het gebied terug te vinden. Ribben zijn smalle stroken land waarop de uitgestoken turf te drogen werd gelegd en de weren zijn de uitgeveende delen, ook wet petgaten genoemd. Na de verveningsperiode werd de rietteelt bepalend voor het landschap.
De Weerribben is vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt bijzonder waardevol, onder meer omdat onder meer omdat er verschillende stadia in de natuurlijke ontwikkeling van open water tot moerasbos voorkomen.
Hierdoor is een grote verscheidenheid aan milieutypen te vinden. We onderscheiden:

open water, rietlanden, hooilanden en moerasbossen. Elk milieutype heeft een eigen vegetatie.

Deze verscheidenheid biedt aan allerlei diersoorten (zoogdieren, vogels en insecten) een geschikte leefomgeving.
Water is de overheersende factor in dit Nationaal Park. Alle levensgemeenschappen van planten en dieren die er voorkomen zijn in meer of mindere mate gebonden aan het water De natuurlijke rijkdom is, zeker in deze omvang, heel bijzonder.
Het is echter ook een kwetsbaar natuurgebied. Voor veengebieden is voldoende water van goede kwaliteit met een niet te hoog voedingsstoffenniveau van wezenlijk belang. Verlaging van het grondwaterpeil in de omgeving, lucht- en waterverontreiniging hebben een negatief effect op de kwaliteit van het gebied.

Nationaal Park De Weerribben

In 1986 werd het natuurreservaat De Weerribben aangewezen als Nationaal Park in oprichting, op advies van de Voorlopige Commissie Nationale Parken.
In 1992 volgt de definitieve instelling tot Nationaal Park.
Het Nationaal Park De Weerribben heeft een omvang van ca. 3500 hectare en is grotendeels eigendom van en in beheer bij het Staatsbosbeheer.

Nationale Parken

Een nationaal park is een aaneensluitend natuurgebied van tenminste 1000 hectare (10 km2) met bijzondere natuurwaarden.
Nationale parken zijn gebieden die speciale aandacht krijgen. Deze aandacht uit zich onder meer in de vorm van extra natuurbeheer en -ontwikkeling, extra onderhoud, extra middelen voor binnen het natuurbehoud passende, natuurvriendelijke recreatie voorlichting en educatie en wetenschappelijk onderzoek.

Deze aandacht is van belang om:

* het gebied als een geheel te behouden en optimaal te beheren, en voor het verder ontwikkelen van de aanwezige natuur- en landschapswaarden;
* mensen kennis to laten maken met natuur en landschap;
* mensen te laten genieten van natuur en landschap op een wijze die het voortbestaan van de natuur niet in gevaar brengt

Ontstaan van het natuurgebied

De Weerribben is een grotendeels vergravon veengebied.
Veen heeft zich na de laatste IJstijd ontwikkeld. Toen de temperatuur op aarde steeg en het ijs smolt, ontstonden grote moerasgebieden. In deze moerassen gingen water- en oeverplanten groeien.
De afgestorven delen van de planten verteerden niet volledig in het zure en zuurstofarme water. Zo ontstond een dikke laag veen.

Turfwinning

Reeds in de Middeleeuwen ontdekte men dat het uitgebaggerde en gedroogde veen als brandstof gebruikt kon worden : turf.
Gedurende eeuwen is turfwinning het belangrijkste middel van bestaan geweest in deze streek. De turf werd in lange banen uitgebaggerd, waarbij steeds een smalle reep grond werd uitgespaard om de turf op te leggen. Deze repen worden legakkers of "ribben" genoemd. In de beginperiode waren deze ribben vaak zo smal, dat ze bij hevige storm werden weggeslagen.
Zo ontstonden er grote plassen waarvan het naburig natuurreservaat De Wieden het resultaat is.
In De Weerribben is dit nooit zo ver gekomen. Men begon daar later met turfwinning dan in De Wieden en was inmiddels door ervaring wijs geworden.
Er waren regels gesteld aan de minimumbreedte van de ribben. Grote plassen als gevolg van weggeslagen ribben zijn in dit gebied dan ook niet te vinden.
Het oorspronkelijk verveningspatroon is daardoor nog duidelijk te zien, met minimaal 3 meter brede ribben en maximaal 30 meter brede petgaten ertussen.
De houten 'tjaskers' waarvan twee exemplaren, nieuw gebouwd, aan de Hoogeweg in Kalenberg te zien, werden, toen de vervening heel kleinschalig begon, gebruikt voor het droogmalen van de veenputten. Dit vergemakkelijkt het werk.

Rietteelt

De turfwinning bleef tot rond 1920 van grote betekenis voor deze strook. Daarna begon het bruikbare veen op te raken.
De turfwinning was daardoor niet meer rendabel. De lokale bevolking schakelde geleidelijk op rietteelt over. In en langs de ondiepe uitgeveende petgaten waren water- en oeverplanten gaan groeien.
Daaruit ontwikkelden zich rietlanden.
Rietteelt werd een belangrijke bron van inkomsten. De kwaliteit van het Overijsselse riet was zo goed dat het in geheel Europa bekend was. In 1919 werd echter een gemaal gebouwd bij Blokzijl, om het waterpeil in Noordwest Overijssel onder controle te krijgen. Hierdoor werden de rietlanden minder nat, waardoor het verlandingsproces versnelde en het riet doorgroeid raakte met ruigtekruiden. Vooral de aanleg van de Noordoostpolder heeft dit effect versterkt. De rietteelt werd steeds minder belangrijk. De bewoners van het gebied zochten ander werk, bijvoorbeeld in de landbouw. Voor een aantal mensen vormt de rietteelt echter nog steeds een belangrijke bron van inkomsten. Daardoor, maar ook met het oog op de landschappelijke en natuur-wetenschappelijke waarde van de rietlanden, wordt de rietteelt op een oppervlakte van 1.200 hectare in stand gehouden.

Planten en dieren

De otter

De otter, het symbool van de Weerribben, kwam tot voor enkele jaren nog in Noordwest Overijssel en Friesland voor.
Sindsdien is hij niet meer gesignaleerd.
Vroeger kwam de otter in vrij grote aantallen In Nederland voor. Door zijn kostbare pels, de schade aan fuiken en de vermeende schade die hij aan de visstand toebracht (otters zijn dol op paling), word hij echter zo sterk bejaagd dat hij bijna geheel werd uitgeroeid. In 1942 word de jacht op otters in het grootste deel van Nederland permanent gesloten. In de 20 jaar daarna nam het aantal weer flink toe tot ca. 300 dieren. Sindsdien ging het echter weer bergafwaarts totdat er eind jaren 80 geen enkele meer kon worden aangetroffen. De reden voor dit definitieve verdwijnen van de otter is de steeds verdere achteruitgang van zijn leefomgeving. De ideale leefomgeving van de otter heeft veel water van goede kwaliteit, voldoende dekking in de vorm van dichte vegetatie, oeverbosjes, ruigten, bos, ruim voedselaanbod (voornamelijk vis) en weinig verstoring. Voor het in stand houden van een gezonde populatie is het ook nodig dat er goede en veilige verbindingszones met andere leefgebieden van otters zijn.
De plannen om in de nabije toekomst de bestaande natuurgebieden In Noordwest-Overijssel te verbeteren en te vergroten, zijn van groot belang voor de terugkeer van de otter.
Dit jaar zijn er voor er het eerst sinds jaren weer otters in de weerribben. Op diversen plaatsen zijn otters uit oost-europa uitgezet. Om de dieren niet te verstoren is de plek geheim gehouden waar de dieren zich bevinden.

In en langs het water

Water is de meest bepalende factor voor plant en dier in De Weerribben. Als groot, waterrijk gebied is het ook van internationale betekenis als broed- en verblijfplaats voor (water)vogels. Daarom is De Weerribben aangemeld als "wetland", een internationale kwalificatie.
In de Weerribben liggen geen grote open plassen. Het water bestaat uit sloten, vaarten en petgaten. In het rustige water van de sloten en petgaten komen allerlei waterplanten voor, waaronder Waterlelie, Gele plemp, Krabbescbeer, Waterviolier en Kikkerbeet.
Op het open water ziet men allerlei eendesoorten, zoals Wilde eend, Smient en Taling. Ook het Waterhoen en de Fuut zijn echte watervogels. Op het water kan men "drijftillen" aantreffen, kleine drijvende vegetaties met planten zoals Pluimzegge, Waterkers en Grote watereppe.
De (elders vrij zeldzame) Zwarte stern nestelt op Krabbescheer.
Langs het water groeit de Lisdodde, Pijlkruid, verschillende zeggesoorten en natuurlijk Riet.
Overjarig riet raakt vermengd met andere planten (ruigtekruiden). Zulke rietkragen bieden een uitstekende verblijfplaats aan vogelsoorten die de voorkeur geven aan een verborgen leef- en broedomgeving.
Het riet biedt bescherming, veel voedsel (zaden en insecten) en ligt dicht aan het water. Veel zangvogels leven hier, zoals de Rietgors. het Baardmannetje en de Rietzanger, maar ook de Roerdomp met zijn melancholieke ver hoorbare "woemp", dat nog het meest op het loeien van een koe lijkt. Zijn wetenschappelijke naam Botaurus verwijst ook naar het woord stier en de Engelsen noemen hem de "bull of the bog" (de stier van het moeras). Deze vogel leeft zeer teruggetrokken en verschuilt zich in het riet door in "paalhouding" te gaan zitten. Met zijn naar boven gestrekte snavel en zijn rietkleurig verenkleed is hij nauwelijks van zijn omgeving to onderscheiden.
De Rallen (Waterral, Kleinst waterhoen, Porseleinhoen) zijn andere, bijzondere vogelsoorten van het Nationaal Park.
Zelden te zien door de verborgen leefwijze, wel 's nacbts te horen met zijn doordringende gevarieerde scala van geluiden, die nu eens op het kwaken van een kikker, dan weer op het gillen van een varken in nood lijken.
In de directe omgeving van de rietkragen zijn vaak roofvogels als de Bruine en Blauwe kiekendief en de Buizerd te vinden, op jacht naar kleine zoogdieren en vogels.
Een bijzondere verschijning in De Weerribben is de Purperreiger, een vogel die in West Europa alleen in ons land nog in redelijke aantallen voorkomt. Door een combinatie van factoren zoals verstoring, te veel verbossing, te weinig overjarig riet, is zijn aantal de laatste jaren echter zo achteruit gegaan, dat gevreesd moet worden dat deze bijzondere reiger-soort binnen enkele jaren geheel zal verdwijnen.
De Weerribben is één van de weinige plaatsen in Nederland waar de Grote vuurvlinder nog voorkomt.
De rups van deze vlinder leeft alleen van de bladeren van de Waterzuring.
Een andere opmerkelijkeo diersoort is de ringslang. Deze niet-giftige slang leeft langs de waterkant en is een uitstekend zwemmer. Hij voedt zich met kikkers, salamanders en zelfs vis.

Hooilanden

Doordat de wortelstokken en wortels van planten zich onder water verstrengelen, ontstaan grotere, drijvende vegetaties die tenslotte begaanbaar worden, de "kraggen".
Er groeien veel verschillende plantengemeenschappen met vaak zeldzame plantesoorten. In de vochtige en schrale graslanden komen veel bloemen voor die men elders nauwelijks meer aantreft, zoals Echte koekoeksbloem en verschillende orchideeë-soorten.

Moerasbossen en eendenkooien

Als er geen actief beheer op de verschillende landschapstypen wordt gevoerd, zou een groot deel van De Weerribben geheel verlanden en veranderen in moerasbos.
Een goed voorbeeld daarvan is te vinden rond de eendenkooien. In het Nationaal Park liggen er twee. De Kloosterkooi bij Kalenberg is lange tijd ongebruikt geweest en verwaarloosd, maar onlangs gerestaureerd. Nu wordt hij uitsluitend voor natuurwetenschappelijke en educatieve doeleinden gebruikt.
Daar vindt men oude elzenbossen met Els, Es, Zomereik en Grauwe wilg. Daaronder groeien Moerasvaren, Gele lis, en allerlei Zegge- en mossoorten. Bitterzoet, Kamperfoelie en Hop slingeren zich om de boomstammen. In de kooi van Pen groeit ook het vrij zeldzame Heksenkruid.

Beheer

Beheer Beheers- en Inrichtingsplan

Toen de Minister van Landbouw en Visserij eind 1986 De Weerribben als nationaal park in oprichting instelde, stelde hij tevens een overlegorgaan in.
Dit overlegorgaan, waarin eigenaren en beheerders, maar ook andere direct betrokkenen (zoals onder meer een vertegenwoordiger van de provincie, van de gemeente en van de riettelers) zitting hebben, kreeg als taak om een Beheers- en Inrichtingsplan op to stellen, waarin het behoud, het te voeren beheer en de te realiseren inrichting van het parkgebied als geheel tot uitdrukking komt. Dit Beheers- en Inrichtingsplan is in samenwerking met de lokale bevolking opgesteld en vervolgens aan de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangeboden. Op basis van dit plan heeft de Staatssecretaris besloten tot de definitieve instelling tot Nationaal Park.

Intensief beheer

Het landschap van De Weerribben is door mensenhanden gevormd. De verschillende stadia in het verlandingsproces, van open water naar moerasbos, zijn vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt zeer waardevol. Als men geen beheersmaatregelen zou nemen en de natuur haar gang zou laten gaan, zouden de trekgaten, de rietlanden en schrale hooilanden zich ontwikkelen tot één groot (moeras)bos. Dit zou wel een natuurlijke ontwikkeling zijn, maar de variatie en de natuurwaarden van het gebied als geheel zouden sterk achteruitgaan. De meeste planten en dieren zouden verdwijnen.
Daarom wil men in een deel van het gebied de landschapstypen handhaven die deze stadia vertegenwoordigen. Daarvoor is regelmatig maaien van riet- en hooilanden nodig. Ook vaarten moeten uitgebaggerd worden.
De rest van De Weerribben, ongeveer een derde deel, kan zich zonder menselijke ingrepen tot een natuurlijk moerasbos ontwikkelen.

Water en waterkwaliteit

In een natuurgebied waar alles in feite om water draait, is de hoeveelheid water en de kwaliteit ervan van het hoogste belang.
In 1919 werd bij Blokzijl een groot gemaal gebouwd. Hierdoor werd het mogelijk een aantal gebieden aan de zuidzijde van De Weerribben in te polderen. Het slootpeil in die polders is veel lager dan het waterpeil in De Weerribben, waardoor veel water wegzakt in de richting van die polders.